Stemmen

10-02-2017

Een blog van trainee Lisanne Oldekamp over stemmen

Stemmen was iets heel normaals bij ons thuis. Eens in de zoveel tijd namen mijn ouders mijn zus en mij mee naar het stembureau verderop in de wijk. Onderweg vertelden ze iets over het stemmen, en als ik vroeg ‘papa, wat ga je stemmen?’ legde hij altijd uit dat je daar nooit antwoord op hoefde te geven. Wat er in het stemhokje gebeurt mag je voor jezelf houden. Daardoor kreeg stemmen iets geheimzinnigs en vroeg ik klasgenootjes altijd een beetje stiekem wat hun ouders hadden gestemd, alsof ze daarmee iets verklikten. Wat vond ik het dan ook stoer als ik met een van mijn ouders mee mocht het stemhokje in. Ze wezen dan aan welk knopje ik op de stemcomputer mocht indrukken[1]: altijd iemand uit de regio en bij mijn moeder altijd de eerste vrouw uit de regio. Op welke partijen ze stemden verklap ik niet – dat mag je immers geheim houden!

Mijn zus vertelde later dat ze zich een verkiezing kon herinneren waarbij nog met potlood werd gestemd. Ik mocht het hokje inkleuren dat mijn moeder aanwees maar was blijkbaar behoorlijk enthousiast over deze belangrijke taak: mijn zus hoorde vanuit het stemhokje mijn moeder geschrokken roepen: “Nee, je mag maar één hokje inkleuren!”

Dat de vanzelfsprekendheid waarmee mijn ouders gingen stemmen lang niet overal bestaat, besefte ik pas later. Ik vond het altijd erg vreemd als mijn klasgenootjes vertelden dat hun ouders niet hadden gestemd. Mijn ouders gaven ons mee dat het bijzonder is dat iedereen in Nederland mag stemmen, en hoe erg er tijdens een regeerperiode ook gemopperd werd op Den Haag, de provincie, Europa of de gemeente, zodra het stembiljet op de deurmat viel keek iedereen in huis uit naar het moment dat er in dat spannende stemhokje op een knop mocht worden gedrukt.

Onbewust, of misschien juist heel erg bewust, kreeg ik zo een aantal democratische kernwaarden met de paplepel ingegoten. Het voorrecht om te stemmen, het stemgeheim en het lage aantal vrouwelijke partijleiders zijn hiervan de belangrijkste voorbeelden. Vanaf mijn achttiende heb ik geen verkiezing overgeslagen, ook al moest ik voor mijn gevoel soms kiezen voor de minste van allerlei kwaden.

Nog altijd verbazen mij de lage opkomstcijfers bij verkiezingen van gemeenteraden en het Europees Parlement. Toen een Belgische vriend vertelde over de opkomstplicht in zijn land leek me dit op het eerste gezicht een goede oplossing, maar later ontdekte ik dat de opkomstplicht in Nederland in 1970 is afgeschaft. Men wilde mensen niet langer verplichten hun stem uit te brengen zonder dat ze precies weten waarom en op wie ze stemmen. Het idee was dat dit juist tot een minder representatieve verkiezingsuitslag zou leiden[2].

De opkomst voor de landelijke verkiezingen is in Nederland na de afschaffing van de opkomstplicht erg hoog gebleven. Voor gemeenteraadsverkiezingen is dat, zoals gezegd, een ander verhaal. Veel mensen hebben geen duidelijk beeld van wat de gemeenteraad is, wie de raadsleden zijn en wat zij eigenlijk doen. Mijn opdracht bij de griffie in Uden, het opstellen van een visie op social media, is deels bedoeld om meer bekendheid over de raad en meer betrokkenheid bij het werk van de raad te creëren. In zekere zin voelt dit als een sluitstuk op de politieke bewustwording die mijn ouders me hebben bijgebracht.

 

[1] Dit was in de tijd van de eerste stemcomputers, die precies in het jaar dat ik stemgerechtigd was werden afgeschaft. Ik weet nog dat het me verbaasde dat ze in Nijmegen met potlood stemden terwijl we dat in Sneek toch al jaren met een computer deden.

[2] Bron: http://nieuws.nl/algemeen/20140519/stemplicht-een-vloek-of-een-zegen/